15. Tramlijn
De stroomtram
Aan het einde van de 19e eeuw kreeg de Noordkop er een nieuw vervoermiddel bij: de stoomtram. Na de aanleg van de spoorlijn Den Helder–Alkmaar in 1865 ontstond de behoefte aan een fijnmaziger netwerk, zodat dorpen en markten beter bereikbaar werden. De stoomtram bood die mogelijkheid.
De lijn Schagen–Wognum opende in 1898 en reed door dorpen als Barsingerhorn, Lutjewinkel, Winkel, Nieuwe Niedorp, Hoogwoud en Opmeer. Reizigers konden sneller naar school, kerk of markt, en landbouwproducten zoals groente, fruit, zuivel en vee vonden makkelijker hun weg naar fabrieken en afnemers. De tram vervoerde zelfs jaarlijks meer dan honderd wagens kolen naar de gasfabriek in Nieuwe Niedorp.
In 1912 kwam daar een tweede verbinding bij: de lijn Schagen–Van Ewijcksluis. Deze verbond de dorpen langs de Westfriesedijk met de haven van Van Ewijcksluis, waar reizigers konden overstappen op de veerboot naar Wieringen. Voor de landbouw, handel en communicatie betekende dit een grote stap vooruit.
Maar na 1925 veranderde het vervoer. Wieringen werd verbonden met het vasteland, vrachtwagens en autobussen werden populair en het goederenvervoer verschoof naar de weg. De tramlijn naar Wognum stopte in 1930; de lijn naar Van Ewijcksluis maakte in 1934 zijn laatste rit.